Logo deschakelbarendrecht.nl
Wil Vaandrager - Visser.
Wil Vaandrager - Visser.

Herinneringen aan de oorlog (deel 1, 2, 3 en 4)

BARENDRECHT - De Schakel publiceerde de afgelopen weken de herinneringen van Wil Vaandrager - Visser aan de Tweede Wereldoorlog. In de krant was haar relaas verdeeld over vier afleveringen. We hebben ze hier in één bericht gebundeld.

(deel 1)

Ik ben geboren in 1936 aan de Dorpsstraat, wat nu Middenbaan is, in 'n dijkhuisje in de bedstee. Vier jaar was ik toen Duitse vliegtuigen met hun parachutisten overvlogen richting vliegveld Waalhaven, hemelsbreed niet ver bij ons vandaan. In Barendrecht zijn toen ook parachutisten neergekomen.

Bij opa en oma op Smitshoek, ze woonden tegenover café 't Schaapje, waren drie Nederlandse soldaten ingekwartierd. Toen zij zagen dat de parachutisten vlakbij gingen landen, is mijn opa op z'n fiets naar de Charloisse Lagendijk gefietst om te kijken hoe ver de Duitse soldaten waren. En dat gaf hij door hij door aan de Nederlandse soldaten. Zij gingen erop af om ze neer te knallen. Mijn opa is zo een paar keer op en neer gereden.

Zodra de Duitse soldaten onze richting op kwamen was dat heel angstig. Mijn vader, moeder, zusje Nel en ik zijn toen naar mijn oom en tante gegaan die twee huizen verderop woonden. Wij zaten met hen en hun kinderen allemaal op de grond toen de soldaten langs de huizen liepen en over de straat reden. De angst en de spanning die we toen voelden, komen op sommige momenten weer naar boven.

Daarna konden we weer gewoon buiten spelen, alleen moest 's avonds alles verduisterd worden. Er mocht geen lichtstraaltje naar buiten schijnen. Het was dan ook aardedonker buiten, want de lantarenpalen waren ook uit. En 's avonds na acht uur mocht je ook niet meer buiten zijn.

(deel 2)

Achter ons huis was het weiland van boer M. van der Giessen, boerderij de Lindenhoeve (daar staat nu de apotheek). Daar werden allemaal palen in gezet, met de bedoeling dat als er een Engels vliegtuig neer zou storten, dat hij dan te pletter viel.

Op sommige plekken hadden mannen ook paalwacht. Die palen waren aan het einde van de oorlog weggepikt voor brandstof om de kachel brandende te houden. De Duitsers hebben ook mijn vaders fiets gevorderd. Dat was niet zo fijn. Mijn vader had zijn fiets nodig om naar het werk te gaan. Hij heeft kort daarop een fiets teruggepikt van de Duitsers.

Mijn vader ging ook helpen in de tuin van meneer Oprel aan de Dorpsstraat 31. Als hij dan klaar was ging hij dat melden bij meneer Oprel. Zo ook die ene keer. Mijn vader belde aan, de deur stond open. Toen zag hij in de hal een ton met vlees staan. Dat was bedoeld voor de Duitse soldaten die daar waren ingekwartierd. Mijn vader heeft toen een paar lappen vlees onder zijn jas gedaan en meegenomen naar huis. Mijn moeder moest er wel voor zorgen dat de braadlucht niet naar buiten ging.

Ook was ik een keer aan het buitenspelen, toen meneer Oprel met zijn wandelstok aan kwam lopen. Tegelijkertijd kwam er een Geallieerd vliegtuig overgevlogen en die heeft de trein die achter ons huis in de polder reed, beschoten. Dat ging van rikketikketik. Heel angstig.

Inmiddels was er ook een gaarkeuken in de Dorpsstraat gekomen. Daar konden mensen die niet genoeg te eten hadden, hun pannetje vullen. Zo kwam er bij ons een vrouwtje uit Rotterdam regelmatig met een rood pannetje vragen om eten. Mijn moeder gaf altijd wat mee.

(deel 3)

We sliepen met z'n allen op zolder. Als mijn vader en moeder nog niet naar bed waren, konden we naar beneden gaan naar de plee, die in de schuur stond. Als mijn vader en moeder wel in bed lagen was het slag (de klep) dicht. Anders konden we naar beneden kukelen. Dan gingen we op de po onze plas doen.

Zo moest ik 's avonds een keer naar de plee. Ik ging de trap af, liep door de keuken het gangetje in om in de schuur naar de plee te gaan. Maar toen stond mijn vader in het gangetje op een trap naar de radio te luisteren, Radio Oranje. Mijn vader schrok zich wild, toen hij mij zag. Want iedereen had zijn radio in moeten leveren. "Dit mag je nooit tegen iemand vertellen", zei hij tegen mij. Ja, wat vertel de dan nog wel…

Er is in Barendrecht ook een Amerikaans vliegtuigen neergestort. De bemanning zat toen gevangen in het huis van notaris Van Drimmelen aan de Dorpsstraat 136. We liepen er langs als we naar school gingen, dat was heel bijzonder.

In de oorlog zijn er nog drie zusjes geboren en mijn moeder kreeg toen melk van de boerin Van der Giessen. Zij waren NSB'ers, maar geen verkeerde. Wij mochten daar ook op de boerderij spelen van onze vader. Veel boeren werden NSB'er, omdat zij dachten, als de Duitsers gaan winnen, dan mogen wij onze boerderij misschien wel houden.

Ik ging toen naar de Groen van Prinstererschool, die toen aan de Dorpsstraat 184 stond. In het laatste oorlogsjaar hadden de Duitsers de school gevorderd en hadden wij halve dagen school in de bovenzalen van de Bethelkerk. Dat was een aparte ervaring.

(deel 4)

Iedereen, de bakker, de groente-, de melk-, kaas, schillen den de lorrenboer kwamen toen aan de deur. Zo ook Janus van der Ent met zijn petroleumkar. Hij was mank en liep zo door Barendrecht met zijn hondenkar. Hij woonde tegenover de Christelijke Gereformeerde kerk aan de Voordijk. En 's zaterdags kon je bij hem thuis een boek lenen voor een dubbeltje (10 cent). Maar soms kwam dat niet uit en dan liep hij met zijn manke poot achter zijn hondenkar te roepen 'Heden week geen bibliotheek!"

Op Dolle Dinsdag in 1944 dacht iedereen dat de oorlog voorbij was. Mijn zusje Nel en ik gingen met onze oranje jurkjes de straat op.  De jurkjes had onze tante Rosa voor ons genaaid. Van boven waren ze gesmockt.
De vlag ging uit. Totdat iemand na een poosje riep: 'De oorlog is nog niet over!' Wij als de wiedeweerga naar huis en de jurkjes uitgedaan. De vlaggen werden snel binnengehaald. Dat was een nare ervaring.

Ook het geluid over overvliegende V1's was angstwekkend.  Op het laatst aten wij alleen nog bruine bonen en tulpenbollen.

Toen kwamen onze bevrijders in Barendrecht, hebben we met elkaar gehost en waren we blij. De vrouwen die met de Duitsers hadden geheuld werden midden op straat kaalgeschoren.

Als kind kon je toen nog gewoon buitenspelen. We wisten niet wat er allemaal gebeurde, dat hoorden we pas later. Zo ook dat Johannes Post, een bekend iemand van de ondergrondse, regelmatig bij Jaan Jiskoot aan de Dorpsstraat onderdook. Zoals ook nog vele anderen.

Er waren veel mensen die Joden en onderduikers in hun huis hadden. Er waren ook veel mensen die in kampen zaten en daarvan waren er ook die niet meer terug kwamen omdat ze gedood waren.

(einde)

Meer berichten